Door: Berber Minnema

Foto: Ines van den Berg en Levi Vos
Op de A67 bij Maasbree stopt de politie tijdens een gewone verkeerscontrole een auto. De bestuurder is een 37-jarige Pool die al een tijd in Nederland blijkt te verblijven, zonder vast adres. Het blijkt dat hij in Polen geregistreerd is als leider van een criminele organisatie. Hij heeft een celstraf waar hij nog geen dag van heeft uitgezeten. Hij is door puur toeval hier gevonden.
Binnen Nederland ontduiken meer mensen hun straf. Dat werd opgemerkt door het Fugitive Active Search Team Netherlands (FASTNL), het team dat deze mensen opspoort.
In 2025 kwamen er 557 opsporingsverzoeken bij hen binnen. Dat aantal zal dit jaar naar verwachting verder stijgen, zegt de woordvoerder van de politie. “Het aantal voortvluchtige criminelen neemt toe, terwijl de zaken ook steeds zwaarder worden.” Het gaat niet alleen om Nederlanders die hun celstraf ontlopen. Ook buitenlandse criminelen gebruiken Nederland steeds vaker als schuilplaats.
Een groeiend aantal voortvluchtigen klinkt als een opsporingsprobleem, alsof FASTNL harder moet zoeken. Maar cijfers van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) laten zien dat het probleem al veel eerder begint, namelijk bij het cellentekort. Hierdoor kunnen straffen simpelweg niet op tijd uitgevoerd worden.
Tussen vonnis en cel
Wie veroordeeld wordt tot een celstraf, gaat niet altijd automatisch de volgende dag de gevangenis in. Tussen het vonnis en de oproep om de straf te beginnen, zit vaak een lange wachttijd. Vooral bij minder zware delicten is er niet altijd direct een plaats vrij in de gevangenis. Het CJIB is de organisatie binnen Nederland die regelt wie er wanneer naar de gevangenis moet. Volgens hen wachten op dit moment ongeveer 24 duizend mensen nog op hun straf.
“Vanwege het cellentekort hebben we nu eigenlijk een heel groot stuwmeer van mensen die nog korte strafjes moeten uitzitten”, zegt de woordvoerder van het CJIB. Die mensen moeten zich zodra er een plek is, zelf melden bij de gevangenis. Precies in die wachttijd kan iemand besluiten: ik meld me gewoon niet.
Het toezicht in die periode schiet volgens de woordvoerder van het CJIB tekort. Wie thuis op de bank wacht tot hij naar de cel moet, wordt door niemand in de gaten gehouden. “Ze worden gewoon op een gegeven moment opgeroepen of opgehaald en dan moeten ze hun straf uitzitten.”
De woordvoerder van de reclassering, de organisatie die zich richt op het controleren en begeleiden van verdachten en veroordeelden, bevestigt dit. “Eerlijk gezegd hebben wij daar niks mee te maken”. Pas wanneer iemand onder voorwaarden eerder vrijkomt, valt deze persoon onder hun verantwoordelijkheid. “Er moet echt een opdracht liggen van een rechter of een officier van justitie en dan komen wij pas in beeld.” Het lijkt voor deze groep mensen dus ontzettend makkelijk om te verdwijnen.
Was er genoeg celcapaciteit geweest, dan hadden minder mensen de kans gehad om te verdwijnen. Korte straffen zijn hierdoor in de praktijk lastig uit te voeren, zegt het CJIB.
Hoe werkt de opsporing?
Wanneer iemand zich niet meldt, signaleert het CJIB dat direct. “Wij doen dat in het stadium dat een straf onherroepelijk is”, zegt de woordvoerder. Een straf is onherroepelijk als deze vaststaat en niet meer teruggedraaid kan worden. Zelf heeft het CJIB geen opsporingscapaciteit, daarom wordt aan de politie de opdracht gegeven om de dader op te halen. Wanneer het om een zwaarder delict gaat of iemand zich in het buitenland lijkt te bevinden wordt het FASTNL ingeschakeld.
Patrick van der Valk, oud-politieman en voormalig lid van het opsporingsteam voor voortvluchtigen, laat weten dat FASTNL verantwoordelijk is voor voortvluchtigen met een openstaande gevangenisstraf van 120 dagen of meer. Toch gaan ze pas actief zoeken bij een gevangenisstraf vanaf 300 dagen. “Tussen die 120 en 300 dagen gebeurt er eigenlijk niks”, zegt hij.
Iemand staat dan alleen ‘nationaal gesignaleerd’, laat de woordvoerder van het CJIB weten. Dat betekent dat ze in het opsporingssysteem staan. Pas als ze iets doen waardoor ze op de radar van de politie komen, worden zij opgepakt. Houden ze zich rustig, dan kunnen ze nog lang een heel normaal leven leiden.
Dat FASTNL niet elke voortvluchtige opspoort ligt aan de capaciteit. Het team telt nu veertig man, wat volgens Van der Valk veel te weinig is. Het opsporen van voortvluchtigen met een licht vergrijp en een adres in Nederland wordt daarom overgedragen aan de wijkteams van de politie. Heel effectief is dit niet, zegt Van der Valk. Waar FASTNL in het geheim werkt en pas toeslaat wanneer ze zeker weten waar iemand zit, belt een wijkagent gewoon aan bij het adres waar iemand staat ingeschreven. “Als hij dan ziet dat de politie komt, is hij aan de achterkant van het huis natuurlijk al lang vertrokken”.
Nederland als onderduikland
Nederland is ook voor buitenlandse criminelen een ideale onderduikplek, zegt Van der Valk. Tussen 2007 en 2014 zag hij dat met name criminelen uit Engeland en de Balkan Nederland kozen als toevluchtsoord. Volgens hem is dat tot nu toe niet veranderd. Zijn verklaring daarvoor is simpel. “Als je je netjes gedraagt in Nederland, dan kom je niet zo snel in de problemen.” Controles zijn er namelijk weinig, “ik ben nu 57 en ben op mijn 25e één keer in een alcoholcontrole terechtgekomen. Dat was het wel”.
Wie zich rustig houdt en niet te veel geluid maakt, blijft hier dus makkelijk onder de radar. Dat komt volgens hem ook doordat de Nederlandse maatschappij vereenzaamt. “Ik wist vroeger precies wie mijn buren waren, dat is niet meer zo. Ik weet nog net hoe mijn directe buren heten en voor de rest weet niemand iets van elkaar.” Vroeger was de sociale controle dus ook een stuk groter, denkt hij.
Daarnaast zijn er meer migranten dan voorheen. Mensen die een andere taal spreken of vanuit het buitenland komen vallen daardoor al lang niet meer op. En wie geen uitkering nodig heeft, blijft al helemaal buiten beeld. Van der Valk noemt het voorbeeld van een wietkwekerij, een vast inkomen en geen contact met instanties. “Dan is het verder alleen maar slim zijn, niet tegen de lamp lopen.”
Wat werkt wel?
Volgens van der Valk is een groter FASTNL-team de oplossing. “Je moet een team inrichten met 120 man dat landelijk dekkend is”, zegt hij. Hij vindt dat de politie op dit moment te kort door de bocht rekent. Ze kijken alleen naar de kosten van extra mensen en niet naar wat het oplevert. “Als je weet dat 20% van de voortvluchtigen nog crimineel actief is en je zet die vast, dan kan je ook heel veel capaciteit winnen.” Dat cijfer komt uit het rapport ‘De Onvindbaren’ van politie en wetenschap, uit 2017.
Agenten hoeven dan immers geen tijd te steken in de criminele activiteiten die zo’n persoon ondertussen blijft uitvoeren. Toch is er volgens Van der Valk ook een nuance: “We hebben zoveel openstaande delicten die niet opgepakt worden. Win je capaciteit met het één, dan staat er meteen weer een ander delict open.” Er moeten dus altijd keuzes gemaakt worden.
Ook de grens van 120 dagen voordat FASTNL verantwoordelijk is vindt hij niet goed gekozen. Hij beargumenteert dit met een voorbeeld. Stel: een zware drugscrimineel wordt gepakt met een wapen in zijn broekband, maar de drugszaak is niet rond te krijgen. Dan krijgt hij misschien maar 120 dagen. Te weinig om hem actief op te sporen, terwijl het gaat om diezelfde gevaarlijke crimineel.
“Met voldoende capaciteit is iedereen te vinden”, zegt Van der Valk. Er is op het gebied van voortvluchtigen nog veel te winnen, vindt hij. “Maar dat vraagt om een andere manier van denken, vooral bij de politie en de politiek.”
Tot die tijd
Zolang die andere manier van denken en een toekomstgerichte oplossing er nog niet is, kan die man uit Polen waarschijnlijk gewoon door met zijn nieuwe leven in Nederland. Niet omdat hij niets verkeerd heeft gedaan, maar omdat er simpelweg niemand actief naar hem zoekt.
